De omgekeerde Centaur: wat kan dat zijn?

01-11-2026

Cory Doctorow: de mens als hulpstuk van de machine

Een tegendraadse gids voor het leven na de AI-hype

Tegen de hype van Ethan Mollicks Co-Existence kan nauwelijks iemand op. Mollick gidst ons met aanstekelijk enthousiasme door een wereld waarin AI steeds verbluffender prestaties levert. Maar wie behoefte heeft aan een kritische, uitgesproken progressieve Village-stem, kan op één adres terecht: Cory Doctorow.

Zijn nieuwste boek, The Reverse Centaur's Guide to Life After AI, verscheen in juni 2026. Het kreeg bijzonder lovende recensies in de Village-pers. The Guardian sprak van een levendige, vermakelijke polemiek, vol terechte verontwaardiging. The New York Times Book Review prees Doctorows kennis van Silicon Valley en vond zijn analyse van de nakende AI-zeepbel een van de overtuigendste die de recensent ooit gelezen had. Ook het wetenschappelijke tijdschrift Science was enthousiast.

Bij de meer technologisch en economisch georiënteerde critici, die we gemakshalve even tot de Matrix rekenen, is het enthousiasme heel wat kleiner. Daar klinkt de vraag of Doctorow werkelijk een gids voor de toekomst heeft geschreven, dan wel een bijzonder onderhoudend pamflet over het verleden. Je vraagt je soms af of beide groepen wel hetzelfde boek hebben gelezen.

Misschien hebben ze dat wel, maar met een andere bril. De Village ziet vooral de gevaren van een technologie die mensen onderwerpt. De Matrix kijkt naar een technologie die mensen bevrijdt van hun beperkingen. De ene ziet macht, de andere mogelijkheden. De ene ziet uitgebuite werknemers, de andere ongekende productiviteitswinsten.

Doctorow heeft alvast zijn kamp gekozen. En hij maakt daar geen geheim van.

Eerst die centaur

Het boek heeft één groot nadeel: wie niet weet wat een centaur is, begrijpt de titel al niet. Een enigszins onhandig begin voor een gids die ons de weg wil wijzen.

De centaur is een wezen uit de Griekse mythologie: half mens, half paard. In de wereld van artificiële intelligentie werd het begrip populair dankzij onder meer Ethan Mollick, die er in zijn bestseller Co-Intelligence een herkenbaar model van menselijke samenwerking met AI van maakte. Een centaur verdeelt het werk tussen mens en machine. De mens beslist wat er moet gebeuren, de machine helpt bij de uitvoering. Het beste van twee werelden: menselijke intelligentie en machinale paardenkracht.

Doctorow draait het beeld om. Bij zijn reverse centaur staat niet de mens aan het hoofd, maar de machine. De mens wordt het hulpstuk, een soort biologisch verlengsnoer dat de technologie nodig heeft omdat sommige activiteiten voorlopig nog niet zonder mensen kunnen.

Denk aan de pakjesbezorger wiens route, snelheid en pauzes door een algoritme worden bepaald. Of aan de magazijnmedewerker die voortdurend instructies krijgt van een systeem dat zelf nooit moe wordt, geen kinderen van school moet halen en merkwaardig weinig belangstelling heeft voor toiletbezoek.

Of neem de radioloog die niet langer zelf medische beelden analyseert, maar honderden door AI geproduceerde diagnoses moet goedkeuren. Hij mag nog altijd zijn handtekening zetten en blijft verantwoordelijk voor eventuele fouten. Maar de tijd om werkelijk na te denken, wordt hem steeds minder gegund.

Bij de centaur werkt de machine voor de mens. Bij de omgekeerde centaur werkt de mens voor de machine.

Een subtiel verschil, met minder subtiele gevolgen.

Doctorow heeft bij de Franse filosofen gestudeerd

Wie Doctorow leest, krijgt soms de indruk dat hij een tijdje in de leer is geweest bij de Franse filosofen. Niet noodzakelijk omdat hij ze uitgebreid citeert, maar omdat zijn analyse zo sterk aan hen doet denken.

Michel Foucault zou zich onmiddellijk thuis voelen in zijn beschrijving van permanente controle, disciplinering en toezicht. Pierre Bourdieu zou vragen hoe de economische machtsverhoudingen worden gereproduceerd onder het keurige mom van technologische vooruitgang. 

Bij Doctorow staat macht centraal.

Dat maakt hem trouwens een merkwaardige Village-bewoner.

De Matrix heeft de neiging macht weg te moffelen achter zogenaamde economische wetmatigheden. Productiviteitsgroei, concurrentiekracht, schaalvoordelen, aandeelhouderswaarde: het lijken haast natuurwetten waaraan niemand kan ontsnappen. De Village heeft dan weer geregeld de neiging om vooral lief te willen zijn. Laten we door empathie, open overleg, samenwerking, verbinding en een flinke scheut 'mensigheid'  à la Dirk De Wachter een gezondere samenleving uitbouwen.

Doctorow heeft met beide benaderingen weinig geduld.

Hij spreekt zonder blikken of blozen over bazen. En die bazen willen volgens hem maar één ding: geen goedkope medewerkers. Duurdere medewerkers zijn eventueel zeer tijdelijk aanvaardbaar, tot ze de bons krijgen, wegens te duur.  Microsoft heeft dat onlangs nog duidelijk gemaakt aan 60 000 'talenten'.  Bazen hebben natuurlijk liever helemaal geen medewerkers (volgens Doctorow wel te verstaan), als de technologie het werk gratis of bijna gratis kan doen.

Hij weigert de discussie over AI los te koppelen van de vraag wie de macht heeft om te beslissen hoe die technologie wordt ingezet. Een verbetering van de productiviteit is immers niet noodzakelijk een verbetering van de arbeidsomstandigheden. En een technologie die het leven gemakkelijker kan maken, kan evengoed worden gebruikt om mensen harder te laten werken.

Vier stellingen die blijven hangen

1. AI bedreigt niet alleen jobs. Ze bedreigt ook de kwaliteit van de jobs die overblijven.

De meeste discussies over AI draaien rond de vraag hoeveel banen zullen verdwijnen. Doctorow stelt een andere vraag: wat gebeurt er met de mensen die niet worden ontslagen?

Een programmeur die vroeger zelf software ontwierp, moet misschien voortaan onafgebroken AI-code controleren. Een arts die vroeger zelfstandig diagnoses stelde, wordt misschien vooral een controleur van algoritmische beslissingen.

We kunnen dus perfect in een samenleving terechtkomen waar AI nauwelijks minder werkgelegenheid creëert, maar wel minder autonomie, minder vakmanschap en minder werkplezier.

Dat is een bijzonder belangrijk onderscheid. Het aantal jobs is relatief gemakkelijk te tellen. Hoeveel professionele waardigheid er in die jobs overblijft, is veel moeilijker te meten.

2. De grote AI-belofte wordt niet in de eerste plaats aan gebruikers verkocht, maar aan investeerders.

Doctorow gelooft dat de financiële verwachtingen rond AI gigantisch zijn opgeblazen. De technologiebedrijven hebben honderden miljarden nodig om hun infrastructuur uit te bouwen en hun beurswaarderingen te rechtvaardigen.

Maar met de belofte dat werknemers wat sneller teksten schrijven of gemakkelijker presentaties maken, kan je moeilijk zulke bedragen verantwoorden.

Daarvoor heb je een veel spectaculairder verhaal nodig: AI zal grote delen van de menselijke arbeid vervangen.

Dat verhaal spreekt niet alleen investeerders aan, maar ook managers die dromen van een onderneming met een fractie van de huidige loonkosten.

De paradox is bijzonder fraai: de AI-industrie heeft er financieel belang bij dat mensen bang worden van haar producten. De angst voor massaal jobverlies wordt zo een onderdeel van de marketing.

3. De AI-revolutie is niet onvermijdelijk.

Doctorow heeft een grondige hekel aan wat hij inevitabilism noemt: de overtuiging dat bepaalde technologische ontwikkelingen toch niet te stoppen zijn en dat we ons er dus maar beter zo snel mogelijk bij neerleggen.

Iedereen kent de bijbehorende managementretoriek. Wie nu niet op de AI-trein springt, blijft onherroepelijk achter op het perron. De concurrentie zal je vernietigen. Je onderneming wordt irrelevant. Je medewerkers zullen achterhaald zijn.

Doctorow noemt dat geen wetenschappelijke voorspelling, maar een vorm van intimidatie.

Technologie bepaalt immers niet zelf hoe ze wordt gebruikt. Dat doen mensen, organisaties en overheden. Je kunt AI invoeren om werknemers meer autonomie te geven, maar ook om elke minuut van hun werkdag te controleren.

De machine beslist dat niet. De baas wel.

Althans, zolang die baas zelf niet tot een omgekeerde centaur is gedegradeerd.

4. De AI-zeepbel zal barsten. En dat hoeft niet het einde van AI te betekenen.

Doctorow is ervan overtuigd dat de financiële verwachtingen rond AI niet kunnen worden waargemaakt. De investeringszeepbel zal volgens hem barsten en de economische gevolgen kunnen aanzienlijk zijn.

Maar hij ziet ook een merkwaardig lichtpunt.

Na de internetzeepbel bleven glasvezelkabels, servers, software en infrastructuur bestaan. De financiële verwachtingen verdwenen, maar de technologie bleef waardevol.

Volgens Doctorow kan met AI iets vergelijkbaars gebeuren. Na de crash blijven bruikbare modellen, enorme hoeveelheden rekenkracht en technische kennis over. Die kunnen dan worden ingezet voor toepassingen die niet voortdurend astronomische winsten moeten opleveren.

Misschien wordt AI dan eindelijk wat technologie volgens hem hoort te zijn: een hulpmiddel voor mensen.

De apocalyps wordt dus gevolgd door een onverwacht aangename opruimingsverkoop.

Een vakbondsmanifest? Ja, maar wacht even

Het boek leest aanvankelijk als een vakbondsmanifest. De bazen zijn verdacht, de werknemers worden uitgebuit en de technologie dient vooral om de machtsverhoudingen nog wat schever te trekken.

Ik heb niets tegen een degelijk vakbondsmanifest, maar ik verwacht van een boek over AI toch iets meer.

En dat komt er ook.

Naarmate je verder leest, serveert Doctorow een aantal ronduit tegendraadse stellingen die niet helemaal passen bij het vertrouwde discours.

Neem de discussie over auteursrechten.

Overal ter wereld protesteren schrijvers, kunstenaars en muzikanten tegen het gebruik van hun werk om AI te trainen. Ze eisen strengere auteursrechten, meer bescherming en een vergoeding wanneer hun creaties worden gebruikt.

Doctorow, zelf een succesvol schrijver, vindt dat een bijzonder twijfelachtige strategie.

Waarom? Omdat de auteursrechten vaak niet bij de auteurs liggen, maar bij uitgevers, mediabedrijven en andere grote ondernemingen. Wie de auteursrechten versterkt, zou dus weleens vooral de macht kunnen versterken van de bedrijven waartegen kunstenaars zich juist willen verdedigen.

Volgens Doctorow is AI veel meer een arbeidsprobleem dan een auteursrechtprobleem. De belangrijkste strijd gaat niet over wie het copyright bezit, maar over wie de beslissingsmacht en de economische opbrengsten in handen krijgt.

Dat is een verrassende stelling voor iemand die zelf van auteursrechten leeft.

Ik vind zijn argument intrigerend, maar niet volledig overtuigend. Een zelfstandige auteur die zijn rechten behoudt, kan wel degelijk sterker staan dankzij auteursrechtelijke bescherming. Toch dwingt Doctorow ons om een ongemakkelijke vraag te stellen: wie zal uiteindelijk het meest profiteren van nieuwe regels die zogezegd de creatieve sector beschermen?

Nog zo'n onverwachte stelling: de doemdenkers over AI helpen misschien de AI-industrie.

Sommige critici waarschuwen dat AI weldra slimmer zal worden dan de mens, de controle zal overnemen en mogelijk zelfs de mensheid zal vernietigen.

Doctorow vindt die apocalyptische verhalen voor een belangrijk deel misleidend. Nog merkwaardiger: volgens hem kunnen ze de commerciële belangen van de AI-bedrijven dienen.

Wie verkondigt dat een technologie straks de mensheid kan vernietigen, suggereert immers dat die technologie over vrijwel onbeperkte mogelijkheden beschikt.

Welke investeerder zou niet geïnteresseerd zijn in een onderneming die zulke bovenmenselijke krachten ontwikkelt?

De AI-doemdenker wordt zo, zonder het te willen, een onbetaalde reclamemaker van Silicon Valley.

En Doctorow zelf? Die gelooft helemaal niet dat AI niets waard is. Hij ziet nuttige toepassingen, verdedigt kleinere en lokaal gebruikte modellen en verwacht zelfs dat AI na een financiële crisis toegankelijker en maatschappelijk waardevoller kan worden.

Voor een auteur die zo grondig tekeergaat tegen de AI-industrie is dat een opmerkelijk optimistisch slot.

De Village applaudisseert, de Matrix fronst

Dat de Village-pers enthousiast reageert, hoeft niet te verbazen.

Dorian Lynskey prijst in The Guardian Doctorows levendige stijl, scherpe vergelijkingen en gerechtvaardigde woede. Zijn grote verdienste is volgens de recensent dat hij onze aandacht verlegt van sensationele AI-verhalen naar het economische model dat erachter schuilgaat.

Stephen Marche gaat in The New York Times Book Review nog verder. Hij vergelijkt Doctorow met de grote rockcritici van vroeger: auteurs die hun onderwerp door en door kennen, maar er daarom niet minder fel tegen kunnen uithalen.

Tim Wu schrijft in Science dat het begrip reverse centaur iets wezenlijks blootlegt in onze verhouding tot AI.

Het enthousiasme is begrijpelijk. Doctorow levert een scherp en toegankelijk verhaal waarin de machtigen worden ontmaskerd en de gewone werknemer eindelijk weer een hoofdrol krijgt. En hij doet dat met vaart, humor en een behoorlijk arsenaal aan retorische wapens.

Maar aan de andere kant van het ideologische spectrum — en ook bij critici die moeilijk als uitgesproken rechts kunnen worden bestempeld — klinken stevige bedenkingen.

Simon Hunt schrijft in de Londense zakenkrant City AM dat hij zelf voortdurend heen en weer wordt geslingerd tussen bewondering en teleurstelling over AI. De ene dag ziet hij verbluffende prestaties, de volgende dag de meest elementaire fouten.

Zijn bezwaar tegen Doctorow is eenvoudig: waarom zou de auteur zo zeker weten dat de AI-beloften niet zullen worden waargemaakt?

Doctorow verwijt Silicon Valley dat het de toekomst voorspelt met een bijna religieuze zekerheid. Maar is zijn eigen zekerheid over de mislukking van AI niet even verdacht?

Nog scherper is Michael Noetel in The Conversation. Hij noemt het boek een verouderde kaart zonder bruikbare antwoorden. Doctorow schreef zijn tekst grotendeels in 2025, terwijl de mogelijkheden van AI intussen verder evolueren. Vooral de opkomst van AI-agenten krijgt volgens Noetel onvoldoende aandacht.

Ook de onafhankelijke technologiecriticus Sami Makelainen heeft ernstige bezwaren. Hij wijst op het ontbreken van behoorlijke bronverwijzingen en op feitelijke fouten, onder andere bij Doctorows beschrijving van technische problemen tijdens de training van grote AI-modellen.

Dat laatste is nogal pijnlijk. Een auteur die ons voortdurend waarschuwt voor de zelfverzekerde onzin van AI-systemen, zou zijn eigen beweringen toch wat zorgvuldiger mogen documenteren.

Makelainen geeft het boek overigens nog altijd vier op vijf. Zelfs de Matrix kan Doctorow dus moeilijk helemaal terzijde schuiven.

De tegenstelling tussen Village en Matrix is bovendien niet absoluut. Doctorow heeft progressieve medestanders die zijn afwijzing van catastrofale AI-risico's te gemakkelijk vinden. En ook in de technologisch georiënteerde pers wordt zijn analyse van machtsverhoudingen ernstig genomen.

Misschien is het verschil uiteindelijk minder ideologisch dan epistemologisch.

Doctorow is er bijzonder zeker van dat de AI-industrie haar mogelijkheden overdrijft. Zijn tegenstanders zijn vooral van mening dat we nog onvoldoende weten om zo zeker te zijn van de beperkingen van AI.

De ene wantrouwt de beloften van de technologiebedrijven. De andere wantrouwt de voorspellingen van hun grootste criticus.

Dat lijkt me een gezonde spanning.

En in de Lage Landen?

De Nederlandstalige pers loopt voorlopig niet over van belangstelling voor dit boek. Een inhoudelijke recensie in onze grote kwaliteitskranten heb ik nog niet kunnen terugvinden. Er is ook nog geen Nederlandse vertaling verschenen.

Dat betekent niet dat Doctorow volledig aan de aandacht is ontsnapt.

Op 19 juli 2026 publiceerde VPRO Tegenlicht de online aflevering Let them eat slop, gewijd aan Doctorow en zijn visie op AI. Het is geen eigenlijke boekrecensie, maar wel een sympathiserend portret.

De redactie vat zijn centrale vraag treffend samen: helpt AI jou, of help jij AI?

Tegenlicht besteedt niet alleen aandacht aan de spectaculaire financiële beloften en de gebrekkige betrouwbaarheid van AI, maar ook aan Doctorows verrassende optimisme over de periode na de zeepbel.

De Nederlandse redactie lijkt dus dichter bij de Village dan bij de Matrix te staan. Al zou Doctorow vermoedelijk antwoorden dat ook dat onderscheid pas interessant wordt wanneer we vragen wie de macht heeft om het te maken.

En wat moeten we daar nu mee?

Ik ben door Doctorow niet overtuigd dat AI vooral een financiële zeepbel is die binnenkort zal barsten. Daarvoor ontwikkelt de technologie zich te snel en zijn de voorspellingen over haar toekomstige mogelijkheden te onzeker.

Ik vind ook zijn beeld van werkgevers wat eenzijdig. Niet elke manager droomt ervan zijn medewerkers te ontslaan of te degraderen tot goedkope accessoires van een machine. Gelukkig maar.

Maar dat neemt niet weg dat Doctorow een vraag stelt die in veel enthousiasme over AI onvoldoende aan bod komt.

We onderzoeken voortdurend welke taken AI kan uitvoeren, hoeveel tijd ze bespaart en welke jobs ze kan vervangen. Dat zijn belangrijke vragen.

Maar minstens even belangrijk is de vraag wie beslist wat er met de vrijgekomen tijd gebeurt.

Wordt die gebruikt om de werkdruk te verlichten? Om betere producten en diensten te ontwikkelen? Om medewerkers meer ruimte te geven voor werk dat menselijke aandacht vereist? Of eenvoudigweg om dezelfde mensen nog meer te laten produceren?

En wie beslist daarover? De medewerker, de manager, de aandeelhouder of het algoritme?

Doctorow herinnert ons eraan dat de invoering van AI niet louter een technische beslissing is. Het is ook een keuze over de organisatie van het werk, de verdeling van macht en de bestemming van de productiviteitswinst.

Dat inzicht maakt zijn boek waardevoller dan een zoveelste analyse van wat het nieuwste taalmodel allemaal kan.

Mollick leert ons hoe we met AI kunnen samenwerken. Doctorow vraagt zich af onder welke voorwaarden die samenwerking eigenlijk plaatsvindt.

De twee boeken spreken elkaar op heel wat punten tegen. Maar precies daarom vormen ze interessante lectuur naast elkaar.

De centaur van Mollick kan bijzonder veel. Doctorow vraagt zich vooral af wie de teugels vasthoudt.

En daar heeft hij een punt.

Besproken boek: Cory Doctorow, The Reverse Centaur's Guide to Life After AI: How to Think About Artificial Intelligence—Before It's Too Late, MCD/Verso, 2026.

De belangrijkste aangehaalde recensies en bronnen

  • Dorian Lynskey, The Guardian, 22 juni 2026.

  • Stephen Marche, Horse Sense, The New York Times Book Review, 5 juli 2026.

  • Tim Wu, Science, 2026.

  • Simon Hunt, City AM, 17 juni 2026.

  • Michael Noetel, The Conversation, augustus 2026.

  • Sami Makelainen, Children of the Magenta, 29 augustus 2026.

  • VPRO Tegenlicht, Let them eat slop, 19 juli 2026.


Share